SATAN VERSCHIJNT ALS CHRISTUS

 

 

 

De apostel Johannes hoorde tijdens een visioen een luide stem in de hemel: „Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nederge­daald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft" (Openbaring 12:12). De stem in de hemel heeft deze woorden uitge­sproken naar aanleiding van vreselijke gebeurtenissen. Satans grim­migheid wordt groter naarmate de tijd korter wordt en zijn be­drog en vernietiging zullen hun hoogtepunt bereiken in de tijd der benauwdheid.

 

De demonen zullen er binnenkort voor zorgen dat er spectaculaire verschijnselen van bovennatuurlijke aard aan de hemel te zien zullen zijn. De geesten van duivelen zullen uitgaan naar „de koningen der aarde" en naar de gehele wereld om hen te misleiden en hen over te halen zich achter satan te scharen in zijn laatste strijd tegen Gods heerschappij. Satans medewerkers zullen zowel de machthebbers als hun onderdanen misleiden. Sommige mensen zullen zich voor Chris­tus uitgeven, en de titel en aanbidding die alleen de Verlosser der we­reld toekomen voor zich opeisen. Ze zullen wonderbaarlijke genezingen verrichten en zullen beweren dal ze openbaringen uit de hemel hebben ontvangen die indruisen tegen de leer van de Bijbel.

 

Dit grote drama van bedrog zal zijn hoogtepunt bereiken wan­neer satan zelf zich voor Christus uitgeeft. De gemeente kijkt al heel lang uit naar de wederkomst van Christus als de vervulling van haar zalige hoop. De grote bedrieger zal het doen voorkomen alsof Christus inderdaad is teruggekomen. In verschillende delen van de wereld zal satan zich aan de mensen tonen als een betove­rend wezen met een verblindende glans, een wezen dat min of meer beantwoordt aan de beschrijving van de Zoon van God, door Johannes in de Openbaring gegeven. (Openbaring 1:13-15) (Openbaring 13 waarin het beest twee horens heeft als dat van een lam, maar spreekt als…)

 

Zijn heerlijkheid overtreft alles wat stervelingen ooit hebben ge­zien. Overal weerklinkt de triomfkreet „Christus is gekomen!" „Christus is gekomen!" De mensen werpen zich in aanbidding voor hem neer, terwijl hij zijn handen opheft en hen zegent zoals Christus zijn discipelen zegende toen Hij op aarde was. Zijn stem is zacht en beheerst. Hij is vriendelijk en sympathiek en verkon­digt enkele van de verheven waarheden die Christus ook verkon­digde. Hij geneest de zieken. Zoals de Samarita­nen die door Simon de tovenaar werden bedrogen, wordt de mas­sa, van klein tot groot, ook door deze toverkracht misleid en zegt: „Deze is wat genoemd wordt de grote kracht Gods" (Handelin­gen 8:10)

 

Maar Gods volk zal het bedrog inzien. De leer van deze valse Christus is in strijd met de Bijbel. Hij spreekt zijn zegen uit over de aanbidders van het beest en zijn beeld. Dat zijn nu precies die mensen over wie Gods gramschap ongemengd zal worden uitgestort volgens de Bijbel.

 

Bovendien kan Satan de manier waarop Christus zal terugkomen niet nabootsen. De Heiland heeft zijn volk tegen deze misleiding ge­waarschuwd. Hij heeft duidelijk voorzegd hoe Hij zal wederkomen. „Er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden... Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, ge­looft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Matteüs 24:24-27,31; 25:31; Openbaring 1:7; l Tessalonicenzen 4:16,17). Deze wederkomst kan onmogelijk worden nagebootst. Overal zal men weten wanneer dit gebeurt. De hele wereld zal het zien.

 

Alleen zij die de Bijbel grondig hebben bestudeerd en de waarheid liefhebben zullen ontkomen aan deze machtige verleiding, die de wereld betovert. Aan de hand van de uitspraken van de Bijbel zullen zij de bedrieger ontmaskeren. Ze zullen zware beproevingen moeten doorstaan. De beproeving zal aantonen wie de ware christenen zijn. Is ons geloof in Gods Woord al zo onwankelbaar dat we niet zullen toegeven aan hetgeen we met onze zintuigen waarnemen? Zullen we ons in deze crisis houden aan de Bijbel en de Bijbel alléén?

 Sa­tan zal, als hij dat enigszins kan, ervoor zorgen dat we ons niet voor­bereiden om in die tijd stand te houden. Hij zal alles zo leiden dat we overal op onze weg hindernissen tegenkomen. Hij zal ons vastketenen aan onze aardse bezittingen. Hij zal ons zware lasten opleggen, zodat we volledig in beslag worden genomen door de zorgen van dit leven waardoor de dag der beproeving ons als een dief overvalt.

 

Wanneer de verschillende regeringen in de christelijke landen het bevel hebben uitgevaardigd tegen hen die de geboden bewaren, en de overheid haar bescherming heeft ingetrokken, zodat ze worden over­geleverd aan de mensen die hen willen doden, zullen Gods kinderen uit de steden en dorpen vluchten en in groepen gaan samenwonen in de meest afgelegen en verlaten plaatsen. De bergen zullen voor velen een toevluchtsoord zijn. Ze zullen, zoals de christenen in de dalen van Piémont, van de bergen hun heiligdom maken en God danken voor „de rotsvestingen" (Jesaja 33:16). Maar velen uit alle volkenen klas­sen, hoog en laag, rijk en arm. zwart en blank, zullen worden overge­leverd aan de onrechtvaardigste en wreedste slavernij.

 

Gods kinderen zullen zware tijden beleven. Ze zullen in boeien worden geslagen, worden opgesloten in gevangenissen, ter dood worden veroordeeld. Sommigen schijnen overgeleverd te zijn om van honger te sterven in donkere, smerige cellen. Niemand zal aandacht schenken aan hun ge­roep. Niemand zal hen helpen.

 

Zal God zijn kinderen in die beproevingen vergeten? Vergat Hij de trouwe Noach toen Hij de wereld van vóór de zondvloed verwoestte? Vergat Hij Lot toen het vuur uit de hemel neerdaalde om de steden van de vlakte te vernietigen? Vergat Hij Jozef toen hij woonde temid­den van de afgodendienaars van Egypte? Vergat Hij Elia toen de eed van Izebel hem bedreigde met het lot van de Baalpriesters? Vergat Hij Jeremia in zijn donkere put? Vergat Hij de drie jongelingen in de vurige oven? Of Daniël in de leeuwenkuil?

 

„Maar Sion zegt: De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet. Zie, Ik heb u in mijn handpalmen ge­grift" (Jesaja 49:14-16) De Here der heerscharen heeft gezegd: „Wie u aanraakt, raakt mijn oogappel aan" (Zacharia 2:8)

 

Ook al werpen hun vijanden hen in de gevangenis, de gevangenis­muren zijn niet dik genoeg om het contact tussen hen en Christus te verbreken. Hij die al hun zwakheden kent, die al hun beproevingen kent, staat boven alle aardse machten. Ze zullen door engelen worden bezocht in hun eenzame cellen en zij zullen hen licht en vrede uit de hemel brengen. De gevangenis zal als een paleis zijn, want het is de ver­blijfplaats van hen die rijk zijn in het geloof. De sombere muren zullen met een hemels licht worden beschenen zoals toen Paulus en Silas in de nacht gebeden tot God richtten en lofliederen zongen in de gevangenis te Filippi.

 

Gods oordelen zullen komen over hen die zijn volk willen verdruk­ken en doden. De goddelozen volharden in hun overtreding omdat God geduldig is, maar ze zullen zwaar gestraft worden omdat de straf zó lang is uitgesteld. „Want de HERE zal opstaan, zoals op de berg Perasim; Hij zal in beweging komen, zoals in het dal bij Gibeon, om zijn werk te doen - vreemd zal zijn werk zijn; en om zijn daad te ver­richten - ongewoon zal zijn daad zijn" (Jesaja 28:21) Het voltrekken van die straf is voor onze barmhartige God een vreemde daad.

 

„Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze" (Ezechiël 33:11). De Here is „barm­hartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw ... Hij vergeeft overtreding, ongerechtigheid en zonde". Maar „de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig". „De HERE is lankmoe­dig, doch groot van kracht, en de HERE laat geenszins ongestraft" (Exodus 34:6,7; Nahum 1:3).